De Standaard: Is het de schuld van de Duitsers?

Barry Eichengreen

Voor Donald Trump is de maatstaf voor de economische kracht van een land zijn handelsbalans – het verschil tussen de export en de import van goederen en diensten. Dat idee is de ergst mogelijke economische onzin. Het ligt aan de basis van het mercantilisme, een afgezaagde doctrine die twee eeuwen geleden al geen enkel krediet meer had. Volgens het mercantilisme zou Duitsland bijvoorbeeld de sterkste economie van de planeet zijn, want het heeft het grootste handelsoverschot.

In 2016 had Duitsland een overschot op zijn handelsbalans van ongeveer 297 miljard euro, of 8,6 procent van zijn bbp, zodat het een evident doelwit voor Trumps toorn is. Zijn bilaterale handelsoverschot met de VS, 65 miljard dollar, maakt het waarschijnlijk nog onweerstaanbaarder als schietschijf. Negeer het feit dat Duitsland als lid van de eurozone geen wisselkoers heeft die het kan manipuleren. Vergeet dat Duitsland relatief openstaat voor de export van de VS en dat zijn beleidsmakers de antisubsidieregels van de EU moeten gehoorzamen. Vergeet dat bilaterale handelsbalansen niets zeggen over de welvaart, wanneer landen een overschot hebben met sommige handelspartners en een tekort met andere. Trump wil gewoon een zondebok.

In de echte wereld wordt het Duitse surplus niet verklaard door muntmanipulatie of discriminatie van de import, maar door het feit dat het land meer spaart dan investeert. Het verband tussen sparen minus investeren en export minus import is geen economische theorie; het is een boekhoudkundig gegeven. De Duitsers geven samen minder uit dan ze produceren en dat verschil geeft onvermijdelijk een netto export.

De hoge Duitse spaarquote heeft een goede reden. Duitsland vergrijst sneller dan de meeste andere landen. Het heeft een verstandige bevolking die verstandig spaart voor haar pensioen. De Duitsers verzamelen vandaag een vermogen dat ze later kunnen uitgeven, wanneer ze als bejaarden afhankelijker zijn.

Daarom is de raad van de adviseurs van het Witte Huis aan de Duitse leiders – verlaat de euro en laat je munt in waarde stijgen – geen goed idee. Een aanpassing van de wisselkoers zou de motivatie van de Duitsers om te sparen niet veranderen.

Bovendien zou een opwaardering van de wisselkoers investeringen in de kapitaal­intensieve sectoren van de verhandelbare goederen ontmoedigen. Een sterkere munt zou weliswaar de investeringen in diensten bevorderen, door de relatieve prijs van niet-verhandelbare goederen te verhogen. Maar omdat de dienstensector niet kapitaal­intensief is, zou de motivatie om in diensten te investeren enorm moeten worden gestimuleerd om de lagere investeringen in exportsectoren te compenseren.

Sparen en investeren rechtstreeks beïnvloeden, zou beter zijn dan aan de munt te sleutelen. Op dat punt verschillen de twee belangrijkste rivaliserende partijen in de komende Duitse verkiezingen van mening. De christendemocraten van bondskanselier Angela Merkel willen de belastingen verlagen. Dat is redelijk, aangezien de Duitse regering heel veel netto spaart: in 2016 had ze een begrotingsoverschot van 23,7 miljard euro, een record.

Jammer genoeg garandeert niets dat de Duitse gezinnen, ook al verstokte spaarders, het extra inkomen zullen uitgeven. Een verhoging van de investeringsaftrek voor de Duitse bedrijven zou efficiënter zijn om de uitgaven te stimuleren, maar is problematisch in een land waar het aandeel van het nationale inkomen dat naar de arbeid gaat nu al afneemt.

De sociaaldemocraten van Martin Schulz willen dat de overheid meer uitgeeft, vooral door in infrastructuur te investeren. In de huidige Europese omgeving van bijna-zerorente bestaat er weinig risico dat bijkomende overheidsinvesteringen de privé-investeringen zullen verdringen. En Duitsland heeft enorme onbeantwoorde behoeften in domeinen als de gezondheidszorg, het onderwijs en de communicatie- en transportinfrastructuur.

Je zou kunnen tegenwerpen dat infrastructuur en openbare diensten niet-verhandelbare goederen zijn, zodat meer investeren de import niet zal stimuleren en het handelsoverschot niet zal verkleinen. Maar als de regering in een economie met volledige tewerkstelling de middelen naar de productie van niet-verhandelbare goederen oriënteert, zullen de gezinnen en de bedrijven andere oplossingen moeten vinden om hun behoefte aan verhandelbare goederen te bevredigen. De enige zekere manier om dat te doen, is door bijkomende import te kopen, zodat de importuitgaven onvermijdelijk zullen stijgen.

Maar waarom moet Duitsland proberen zijn handelsoverschot te verkleinen? Een mogelijk antwoord: om van Trump verlost te zijn. Een beter antwoord, dat van het Internationaal Monetair Fonds, is dat het goed zou zijn voor een wereldeconomie die te weinig investeert, zoals uit de ongezien lage rentevoeten blijkt. Het zou ook goed zijn voor Zuid-Europa, dat meer moet exporteren, maar dat alleen kan als iemand anders – zoals de grootste Noord-Europese economie – meer importeert.

Ten slotte zouden meer investeringen in infrastructuur, gezondheid en onderwijs vooral goed zijn voor Duitsland zelf. Goed gerichte overheidsinvesteringen kunnen de productiviteit bevorderen, het levenspeil verhogen, de ongelijkheid tegengaan en de economische zwakten van Duitsland aanpakken. Duitsland heeft bijvoorbeeld welgeteld nul universiteiten in de top 50 van de wereld. Meer overheidsgeld zou een verschil maken. De ‘sterkste economie van de wereld’ kan beter dan dit.

Project Syndicate

Barry Eichengreen is hoogleraar economie aan de University of California, Berkeley. Wekelijks komt op dinsdag een gezaghebbende econoom aan het woord.